Klimaat : Brussel wil voorbeeld zijn

Het Brussels Gewest zal zijn Lucht-Klimaat-Energie Plan kort voor de klimaatconferentie in Parijs (COP21) voorstellen. Het gewest wil zijn politieke wil tonen. Toch is het een delicate oefening.

Met de economische crisis leek de ijver van de EU op het gebied van klimaat en energie de afgelopen jaren te verslappen. De VN-klimaatconferentie (COP21) eind november in Parijs zal de perfecte gelegenheid zijn om de twijfel van diegene aan de vastberadenheid van de Europese leiders over deze materie weg te nemen. De waarnemers die de onderhandelingen zullen volgen, zullen zeker de landen en regio’s die ambitieus zijn aanhalen als voorbeeld.

Het is in deze context dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn Lucht-Klimaat- Energie Plan (CAPC) aan het afwerken is. De Brusselse regering en de administratie zijn bij de opstelling ervan niet begonnen met een leeg blad. In het eerste ontwerp dat 56 maatregelen en 124 acties telde en die aan een openbaar onderzoek zijn onderworpen, vindt vrijwel al zijn inspiratie in zowel het internationale kader (Kyoto, 2020/20 richtlijnen), maar ook in de vele plannen, wettelijke documenten en programma’s in de jonge carrière van het Brussels Gewest: COBRACE, Plan Iris2, PRDD, geluidsplan geluid, natuurkaarten, enz. Daar is een geheel van maatregelen en acties uitgekomen. Het bevat nog  geen maatregelen die out of the box zijn maar ze zijn toch al op een gestructureerde manier verzameld in een plan en de duurzame energiesector verwacht dat deze maatregelen en acties zullen worden uitgevoerd.

De 9 assen waarop dit lucht-klimaat-energie plan is opgebouwd, situeren onmiddellijk de omvang van de aanpak: gebouwen, transport, economie, stedenbouwkundige planning, het consumptiepatroon, aanpassing aan de klimaatverandering, toezicht op luchtkwaliteit, internationale mechanismen, sociale dimensies. Het vertaalt zich in een geïntegreerde visie die wordt toegelicht door Annick Vanderpoorten, planner Lucht-Klimaat-Energie bij Leefmilieu Brussel.

Jean Cech (Hernieuws) : Hoe situeert dit nieuwe klimaatplan zich tussen de verschillende initiatieven die reeds zijn genomen door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest de afgelopen jaren ?

Annick Vanderpoorten (Leefmilieu Brussel) : Je weet dat de COBRACE (Brussels Wetboek van lucht, klimaat en energie) het gewest nu een klimaat-energie plan oplegt dat om de vijf jaar moet worden geactualiseerd. Dit wetboek was de wetgevende onderdeel van de geïntegreerde ontwikkeling van het gewestelijke lucht-klimaat-energiebeleid. Het klimaatplan is het planningsonderdeel. Het idee is eigenlijk om alles dat invloed heeft op lucht, klimaat en energie samen te brengen in 1 document, ook al betekent dit dat er maatregelen moeten worden hernomen die reeds zijn beslist 

– in het gewestelijk mobiliteitsplan Iris2 voor het hoofdstuk transport, voor het waterbeheersplan in het kader van de aanpassing aan de klimaatwijzigingen, enz. –, door het toevoegen van nieuwe en aanvullende maatregelen die specifiek zijn voor deze materie. Dit overzicht was noodzakelijk voor specifieke onderwerpen met meestal dezelfde actoren (gezinnen, overheden, bedrijven, enz.) met dezelfde vragen. Indien er in dit nieuwe document wordt verwezen naar eerdere bepalingen, is dit in de eerste plaats om de consistentie van het plan te benadrukken en omdat men er de meest gestructureerde en ambitieuze maatregelen in hun specifieke terrein in kan terugvinden.

J.C. : Maar het is niet onbelangrijk dat het plan aansluit bij de aanpak van de Conferentie van Parijs (COP21) in november dit jaar ? Wat is de boodschap ?

A.V. : Het gaat erom dat het gewest betrokken is in de cruciale internationale onderhandelingen, waarvan wij hopen dat ze ambitieuze en beslissend zullen zijn. De boodschap is dat het Brussels Gewest van zijn kant zijn deel van het werk doet en zichzelf ambitieuze maatregelen oplegt om de uitstoot van broeikasgassen en klimaatwijziging te beheersen en zich aan te passen zoals gepland op internationaal niveau. Want als de COP21 resulteert in internationale overeenkomsten, is het duidelijk dat deze verbintenissen zullen worden vertaald op het niveau van landen en gewesten.

J.C. : Het geval van Brussel is vrij ongewoon omdat het zowel over een stad gaat in de orde van grootte van Lyon en Oslo, maar ook over een volledige gewest . Maakt dit de uitwerking van zo’n plan niet complexer en delicater ?

A.V. : Ja en nee. Maar het is ook een groot voordeel voor een stad om te beschikken over de expertise van een gewest. Vooral met betrekking tot milieu. Dat betekent dat we meer hefbomen hebben dan andere steden om concrete maatregelen te nemen. We kunnen relatief ambitieus zijn en meer gerichte regels vastleggen zonder afhankelijk te zijn van de ambitie van ander beleidsniveau die zich niet in dezelfde context bevindt. Maar anderzijds wordt Brussel, als hoofdstedelijk gewest, geconfronteerd met specifieke moeilijkheden die zijn taak bemoeilijken. Ik denk bijvoorbeeld aan de kwestie van de pendelaars of aan de zorgwekkende toename van de bevolking, met een veel beperkter inkomen in vergelijking met andere steden of hoofdsteden. Een realiteit waarmee men onvermijdelijk rekening mee zal moeten houden in onze ambitie en bij de uitvoering van het klimaatmaatregelen.

J.C. : Het openbaar onderzoek over het nieuwe klimaatplan werd afgesloten eind juli. Welke positieve elementen zijn er uit dit openbaar onderzoek gekomen ?

A.V. : We kregen een honderdtal adviezen van burgers en diverse organisaties. Ze worden momenteel verwerkt, maar het zal ons oorspronkelijke document aanzienlijk aanvullen. Een groot aantal opmerkingen gaan over de uitvoering van de maatregelen of de nauwkeurigheid van het plan. Dat is natuurlijk frustrerend omdat het deel uitmaakt van een plan en niet een regelgeving, zodat de uitvoeringswijze niet kan worden vastgelegd voor alle maatregelen. Er zijn maatregelen die Leefmilieu Brussel momenteel al aan het uitwerken is, maar er zijn anderen die nu zich nog in de studie- of onderzoeksfase bevinden. Dit zijn nog maar ideeën die aan het ontkiemen zijn en waarvan de relevantie moet nog worden onderzocht en gevalideerd. We kunnen niet altijd heel ver gaan in deze fase van uitvoeringsbepalingen. Wij moeten blijven binnen de grenzen van de planning. Omdat het plan over een tijdsbestek van vijf jaar loopt, geeft het ons de ruimte om geleidelijk aan meer concrete ideeën uit te werken.

J.C. : Maar over het algemeen wordt het plan vrij positief onthaald ?

A.V. : Eerlijk gezegd wel ja. We voelen goed aan dat de meeste ondervraagden blij zijn met dit initiatief. Zij ondersteunen de geïntegreerde beleidsaanpak. Maar zoals in elke raadpleging zijn er steeds meningen dat men te ver gaat in de milieunormen en anderen die vinden dat men niet ver genoeg gaat. Het is nu zoeken naar de juiste balans en speelruimte.

J.C. : Hoe ver staat men met hernieuwbare energie waarvan men weet dat dit moeilijker realiseerbaar is in stedelijke gebieden ?

A.V. : Er is toch veel gerealiseerd. Sommige actoren eisen een meer gestructureerde en globalere aanpak, vooral in termen van ondersteunende en begeleidende maatregelen. Hier gaat het natuurlijk over de afschaffing van de vergoeding, een nieuw element, dat men op één of andere manier zal moeten integreren in het plan (noot: zie ons artikel PV: einde van de vergoeding, maar meer groenestroomcertificaten in Brussel?). We zijn dus bezig aan een ​​meer leesbare tekst in verband met de opzet. Dit moet leiden tot een meer intelligent beheer van hernieuwbare energie in de stad.

J.C. : Maar als men het plan goed leest bent u van mening dat er, wat betreft hernieuwbare energie, er nog echt een onbenut potentieel is in Brussel …

A.V. : Ja. Het potentieel is natuurlijk niet onbeperkt. Het is vrijwel onmogelijk om grote windturbines te plaatsen door de aanwezigheid van de luchthaven van Brussel. Maar er is nog potentieel en we zijn van plan om dit te onderzoeken.

J.C. : Je bedoelt dan kleine windturbines …

A.V. : Ja. We weten dat we geen spectaculaire vooruitgang moeten verwachten in het realiseren van onze hernieuwbare energiedoelstellingen, maar de piste bestaat en deze is de moeite waard om te bestuderen. En we zullen dit natuurlijk doen samen met de actoren.

J.C. : Het plan richt zich ook tot verhuurders in het kader van energiebesparende maatregelen in gebouwen en hun impact op de huurprijzen …

A.V. : We houden in Brussel steeds rekening met het sociale aspect als het gaat over energie. De kwestie van de verhuurders is specifiek voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, waar het aandeel van de huiseigenaars lager ligt dan in de twee andere gewesten. In Brussel ligt het aantal huiseigenaars op 40%, terwijl dit aantal in Wallonië en Vlaanderen op ongeveer 60% ligt. De huurwoningen zijn nog steeds het zorgenkind van het Brussels energiebeleid. We moeten de eigenaars kunnen overtuigen om te investeren in energie ook al kunnen ze niet direct genieten van deze besparingen. We hebben daarom een mechanisme onderzocht waar de huurder een deel van de investeringen op zich neemt zodat de bewoner er profijt van heeft, maar rekening houdend met  het feit dat op het einde het de eigenaar is die er de voordelen van heeft op lange termijn. We zijn met een proefproject gestart om dit mechanisme te testen bij de begeleiding, de berekeningen van de energiebesparing en de juridische bescherming. Dit willen we bedoelen met specifieke kenmerken van het stedelijk gewest. Indien het Brussels Gewest de juridische bevoegdheid zou krijgen over de huurcontracten, die momenteel nog onder de bevoegdheid valt van de federale overheid, kunnen we beter inspelen op deze realiteit.